Gemeenschappelijke variabelen

Hier lichten we de gemeenschappelijke variabelen toe die in de verschillende statistieken van de RSZ worden gebruikt.
 

Arbeidsvolume in voltijdsequivalenten

De bepaling van het arbeidsvolume gebeurt op basis van alle aangegeven bezoldigde arbeidsprestaties over het ganse kwartaal met uitsluiting van de zuiver fictieve prestaties (vergoeding en arbeidsdagen bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst). Er wordt dus geen rekening gehouden met de periodes die voor de toekenning van bepaalde sociale rechten worden gelijkgesteld met arbeidsdagen en die vaak aanleiding geven tot een vervangingsinkomen. 

Alle werknemers die bijdragen en onderworpen zijn aan de sociale zekerheid tellen mee voor de berekening van het arbeidsvolume. Specifieke tewerkstellingstypes zoals flexijob, extra in de Horeca, leerlingen, gesubsidieerde contractuelen, … zijn dus in de berekening van het VTE opgenomen. De student die werkt onder de regeling van de 475 uur (de vroegere vakantiejob) is enkel onderworpen aan een solidariteitsbijdrage en wordt bijgevolg niet in de berekening opgenomen. Dit geldt ook voor bruggepensioneerden en personen met een beroepsziekte of een arbeidsongeval. Specifiek voor het overheidspersoneel geldt dat de periodes van terbeschikkingstelling voorafgaand aan pensioen, de periodes van terbeschikkingstelling vanwege ziekte en de periodes met vrijstelling van prestaties niet opgenomen worden in de berekening. Ten slotte zijn vanzelfsprekend ook de bijklussers uitgesloten want deze worden niet in DmfA opgenomen.

De arbeidsprestaties van een werknemer die in de loop van het kwartaal tewerkgesteld is geweest bij meerdere werkgevers en/of onder verschillende hoedanigheden of in verschillende arbeidsregimes, zijn dus allen opgenomen, en dit volgens de kenmerken van de verschillende prestaties. 

De arbeidstijdgegevens worden in de aangiften op een heterogene manier aangegeven.

  • Voor de voltijdse werknemers worden alle prestaties uitgedrukt in dagen en wordt geen enkele aanduiding gegeven van het gemiddeld aantal uren per dag of per week van de werknemer. De aangegeven dagen kunnen daarom niet omgezet worden in uren.
  • Voor de deeltijdse werknemers daarentegen worden de prestaties zowel uitgedrukt in uren als in dagen en moet ook de gebruikelijke arbeidsduur per week van een (fictieve) referentiepersoon aangeduid worden. Dat is de persoon die voltijds is tewerkgesteld in dezelfde onderneming of, bij gebrek daaraan, in dezelfde bedrijfstak, in een functie gelijkaardig aan deze van de werknemer. 

Voor de voltijdse werknemers zijn dus noch het reëel aantal bezoldigde (of eventueel gepresteerde) uren, noch de normale wekelijkse arbeidsduur in uren vermeld. Dit verhindert het opmaken van statistieken met betrekking tot bezoldigde (of eventueel gepresteerde) uren. Het is echter wel mogelijk om te berekenen hoe de prestaties van zowel voltijdse als deeltijdse werknemers zich verhouden tot hun referentiepersoon, die geteld wordt als één voltijdsequivalent. Deze berekening geeft dus een aanduiding van de bezettingsgraad van een arbeidsplaats gedurende het kwartaal. 

Prestaties van minder dan één voltijdsequivalent kunnen hun oorsprong vinden in: 

  • een kortere periode van tewerkstelling (geen volledig trimester tewerkgesteld); 
  • deeltijdse prestaties (wekelijkse arbeidsduur lager dan die van de referentiepersoon); 
  • periodes van afwezigheid niet gedekt door een loon, bijvoorbeeld gelijkgestelde dagen. 

Voor de berekening van het arbeidsvolume in termen van voltijdsequivalenten, wordt de verhouding berekend tussen de arbeidsprestaties (bezoldigde- en vakantieprestaties) van de werknemer ten opzichte van de prestaties van de fictieve referentiepersoon voor een volledig kwartaal. Voor voltijdse werknemers gebeurt de berekening op basis van de prestaties uitgedrukt in dagen, voor deeltijdse werknemers op basis van prestaties uitgedrukt in uren. 

Deze definitie van voltijdsequivalenten is niet gebaseerd op de in de arbeidsovereenkomst contractueel voorziene arbeidsduur maar op de aangegeven prestaties. Dit geeft beter het werkelijk gepresteerde arbeidsvolume in de beschouwde periode (een kwartaal) weer, maar dit moet toch enigszins genuanceerd worden. Het overwerk in piekperiodes dat wordt gecompenseerd door inhaalrust in kalmere periodes waarbij deze op dat moment als bezoldigde dagen worden aangegeven is immers niet zichtbaar in de aangifte en dus ook niet in het arbeidsvolume. Het overwerk dat wel op het moment zelf wordt bezoldigd, is wel aanwezig in het arbeidsvolume. 

Ook is de notie bezoldigde dagen en -uren ruimer dan de werkelijk gepresteerde arbeidstijd. Zo vallen onder andere de wettelijke feestdagen onder de bezoldigde dagen evenals de vakantiedagen van de bedienden en ambtenaren. Om een zekere uniformiteit te bewaren worden de vakantiedagen van de arbeiders ook in rekening gebracht. 

Verder worden afhankelijk van de hoedanigheid van de werknemer een aantal dagen van afwezigheid in het ene geval door de werkgever doorbetaald (en dus als bezoldigde dagen beschouwd) en in het andere geval gedekt door een vervangingsinkomen (en dus als gelijkgestelde dagen beschouwd). Dit kan tot een zekere vertekening leiden bij vergelijking tussen de verschillende groepen werknemers.

De arbeidsplaats

De statistische eenheid ‘arbeidsplaats’ vloeit voort uit de notie ‘werknemer onderworpen aan de sociale zekerheid’. Het betreft hier de werknemer die onder de bevoegdheid valt van de RSZ in uitvoering van de wetten van 27 juni 1969 en van 1 augustus 1985, en van het KB van 28 november 1969. 

De statistische telling van de arbeidsplaatsen op het einde van een kwartaal gebeurt door op het einde van dat kwartaal het aantal werknemers te tellen bij elke werkgever. Bij deze tellingen worden naast diegenen die op de laatste arbeidsdag van het kwartaal op het werk aanwezig waren, ook diegenen meegeteld wiens arbeidsovereenkomst niet verbroken is maar wel geschorst:

  • wegens ziekte of ongeval (vanaf 2003 is dit voor ziekte (behalve beroepsziekte) of ongeval (behalve arbeidsongeval) niet langer beperkt tot de eerste 12 maanden van hun arbeidsongeschiktheid.)
  • wegens zwangerschaps- of bevallingsrust of
  • wegens wederoproeping onder de wapens.

Ook de werknemers die op de beschouwde dag niet op het werk aanwezig zijn wegens verlof, staking, gedeeltelijke of toevallige werkloosheid of al dan niet verantwoorde afwezigheid worden meegeteld.

Werknemers in voltijdse loopbaanonderbreking of voltijds tijdskrediet worden niet meegeteld. Vanaf 2011 werd een hervormde aangifte voor het overheidspersoneel ingevoerd, die het mogelijk maakt bepaalde werknemers die zich in bepaalde stelsels van inactiviteit bevinden te onderscheiden. Zo worden de werknemers die zich in een stelsel van terbeschikkingstelling voorafgaand aan het pensioen niet langer meegeteld.

Werknemers die op de laatste dag van het kwartaal bij meer dan een werkgever zijn tewerkgesteld, worden meermaals geteld. 

Werknemers die bij eenzelfde werkgever verschillende gelijktijdige arbeidsbetrekkingen uitoefenen (eventueel onder verschillende hoedanigheden of onder verschillende contracten) worden als 1 arbeidsplaats geteld. De kenmerken van de belangrijkste prestatie worden weerhouden. De bepaling hiervan gebeurt in geval van meerdere gelijktijdige arbeidsovereenkomsten volgens de volgende criteria (in dalende orde van belangrijkheid):

  • type betrekking (voltijds, deeltijds, ...),
  • hoogste bruto-bezoldiging,
  • hoogste arbeidsvolume,
  • hoogste aantal gelijkgestelde dagen. 

Voornamelijk in het onderwijs kan de telling van de arbeidsplaats afhankelijk zijn van administratieve regelingen. Hoewel de leerkrachten en het ondersteunend personeel worden aangeworven door de inrichtende machten, treden de departementen Onderwijs van de Gemeenschappen op als werkgever ten opzichte van de RSZ. De inrichtende macht treedt alleen op als werkgever voor de arbeidsprestaties die niet bezoldigd worden door de departementen. Enerzijds wordt voor een leerkracht die tewerkgesteld is in meerdere scholen, zelfs behorend tot verschillende inrichtende machten, maar die volledig bezoldigd wordt door het departement Onderwijs, slechts 1 arbeidsplaats geteld. Anderzijds wordt voor een leerkracht die naast zijn door het departement Onderwijs bezoldigde opdracht, in dezelfde school ook opdrachten uitvoert die ten laste vallen van de inrichtende macht, 2 arbeidsplaatsen geteld.

De tewerkgestelde werknemer 

In de hier opgenomen telling worden dubbeltellingen te wijten aan meerdere arbeidsbetrekkingen op het einde van een kwartaal van eenzelfde werknemer verwijderd. Het opzoeken van deze meervoudige prestaties gebeurt op basis van het unieke identificatienummer van de werknemer binnen het netwerk van de sociale zekerheid (INSZ). Dit identificatienummer komt in de grote meerderheid der gevallen overeen met het rijksregisternummer. In de overige gevallen gebeurt de identificatie met behulp van aanvullende registers van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. 

Indien een werknemer meerdere gelijktijdige arbeidsbetrekkingen heeft, wordt hij slechts eenmaal geteld en worden enkel die kenmerken (werkgevers- en prestatiegebonden kenmerken) weerhouden die verbonden zijn met de belangrijkste arbeidsovereenkomst. De bepaling van de belangrijkste betrekking gebeurt in geval van meerdere gelijktijdige arbeidsovereenkomsten volgens de volgende criteria (in dalende orde van belangrijkheid): 

  • type betrekking (voltijds, deeltijds, ...),
  • hoogste bruto bezoldiging,
  • hoogst arbeidsvolume (zie hieronder),
  • hoogst aantal gelijkgestelde dagen. 

De werkgever 

De eenheid is de werkgever die in de loop van het behandeld kwartaal ‘werknemers onderworpen aan de sociale zekerheid in dienst had. Dit begrip omvat zowel rechtspersonen als natuurlijke personen die, ten aanzien van de wet, de hoedanigheid van werkgever bezitten.

Opmerking: de particulier die gebruik maakt van de diensten van werknemers in het kader van het systeem van de dienstencheques zijn bij de RSZ niet bekend. Er zijn dan ook geen statistische gegevens bekend.

Inrichting - vestigingseenheid

Het uitgangspunt: de werkgever 

In principe is de basiseenheid de bijdrageplichtige werkgever die in die hoedanigheid ingeschreven is bij de RSZ en die in de loop van het behandeld kwartaal werknemers in dienst had onderworpen aan de sociale zekerheid. Dit begrip omvat zowel rechtspersonen (vennootschappen en dergelijke), als natuurlijke personen die, ten aanzien van de wet, de hoedanigheid van werkgever bezitten. Dit zijn de Rijks-, Gewest-, Gemeenschaps-, provincie- en gemeentebesturen, en ook de instellingen van openbaar nut die in alle of in sommige takken van de sociale zekerheid opgenomen werknemers tewerkstellen, die ook in de statistiek met werkgevers gelijkgesteld worden. 

De vroegere gedecentraliseerde notie: de inrichting 

Tot en met 2002 werd in de gedecentraliseerde statistieken de term ‘inrichting’ gebruikt:

  • wanneer de werkgever één enkele uitbatingszetel en één enkele activiteit had, en maar één aangifte instuurde, was de inrichting gelijk aan de werkgever; 
  • wanneer de werkgever minstens twee afzonderlijke bedrijfszetels (bijhuizen of technische afdelingen) bezat en/of verschillende activiteiten uitoefende, werd elke zetel en, voor eenzelfde zetel met twee of meer activiteiten, elke activiteit een eenheid inrichting. De verschillende in dezelfde gemeente gelegen zetels met dezelfde activiteit werden echter samen als één statistiekeenheid beschouwd. 

De nieuwe gedecentraliseerde notie: de vestigingseenheid 

De wet die de oprichting regelt van de Kruispuntbank van Ondernemingen introduceert de vestigingseenheid als een plaats die geografisch kan worden geïdentificeerd met een adres en waar ten minste één activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend of van waar uit de activiteit wordt uitgeoefend. De notie van vestigingseenheid komt overeen met de notie van lokale eenheid zoals opgenomen in de definitie van statistische eenheden in de NACE-Bel 2008 handleiding. 

Aan elke vestigingseenheid wordt door de Kruispuntbank van Ondernemingen een uniek identificatienummer toegekend. Sommige ondernemingen kunnen wel personeel tewerkstellen in België, zonder over een vestigingseenheid ingeschreven in KBO te beschikken. Het betreft de werkgevers van huispersoneel en de buitenlandse ondernemingen zonder vestiging in België. 

In de telling van het aantal vestigingseenheden worden enkel de vestigingen met bezoldigde werknemers opgenomen. Elke werkgever telt voor minstens één vestigingseenheid, ook al is er geen vestigingseenheid ingeschreven in KBO.

Bezoldigingen

Het betreft de bezoldigingen waarop, zoals bepaald bij de wettelijke en reglementaire beschikkingen, de bijdragen voor sociale zekerheid worden berekend. Dit met uitzondering van het gewoon vakantiegeld van de arbeiders, indien betaald door een sectorale vakantiekas of door de RJV (wat het geval is voor het geheel van de privé-sector en een gedeelte van de overheidssector en het onderwijs). Het zijn bruto bezoldigingen onverminderd met fiscale lasten.

Het loon bestaat uit verschillende looncomponenten. Onderstaande tabel geeft een beknopt overzicht van een aantal van deze componenten, met een aanduiding of ze al dan niet behoren tot het begrip ‘loon’, zoals gedefinieerd bij de RSZ en al dan niet opgenomen zijn in de gegevens die de RSZ publiceert.

Overzicht van looncomponenten

looncomponentwie is opgenomen?
Bezoldiging voor de gewerkte dagen of urenarbeiders en bedienden
Loon voor de wettelijke feestdagen of betaalde afwezigheidsdagenarbeiders en bedienden
Gewaarborgd loon bij arbeidsongeschiktheidarbeiders en bedienden
Enkel vakantiegeldbedienden
Dubbel vakantiegeldniet opgenomen
Contractuele premies en vergoedingenarbeiders en bedienden
Bepaalde verbrekingsvergoedingenarbeiders en bedienden
Syndicale premieniet opgenomen
Vergoedingen toegekend door het Fonds voor bestaanszekerheidarbeiders en bedienden
Vergoedingen toegekend bij sluiting van ondernemingen (door het FSO)arbeiders en bedienden

Evenwel, voor sommige speciale werknemerscategorieën steunt de bij de RSZ aangegeven en in de statistiek voorkomende bezoldiging niet op werkelijk toegekende bezoldigingen of voordelen, maar op een loon dat bij ministerieel of bij koninklijk besluit forfaitair is vastgesteld ter berekening van de socialezekerheidsbijdragen. Dit geldt voor :

  • de bij fooien of bedieningsgeld bezoldigden in het hotelbedrijf en andere bedrijfssectoren (vermakelijkheden, enz.);
  • de werknemers in de zeevisserij;
  • de beroepsrenners en de andere betaalde sportbeoefenaars;
  • de gelegenheidsarbeiders in de tuinbouw, de landbouw en de horeca;
  • de onthaalouders.